Ga verder naar de inhoud

Het rouwproces van kinderen en jongeren

Rouw is een aanpassingsproces na een verlies van iets of iemand waarmee een betekenisvolle relatie bestaat. De wetenschappelijke literatuur naar rouwen na zelfdoding bij kinderen en jongeren is helaas erg beperkt. Wanneer er wel onderzoek naar is, is dit overwegend toegespitst op parentale suïcide en zelden op suïcides door andere familieleden of leeftijdsgenoten.

Hoewel er veel gelijkenissen bestaan tussen een rouwproces na zelfdoding en andere rouwprocessen, brengt rouwen na zelfdoding enkele specifieke aandachtspunten of verschillen met zich mee. Zo kan de mogelijks onverwachte en gewelddadige aard van het overlijden leiden tot een verhoogde ervaring van trauma of schok en de volgende rouwthema’s:

  • Zelfverwijten: bv. ‘Had ik maar sneller ingegrepen.’ Hier is het belangrijk om het verschil te benadrukken tussen schuldig voelen en schuldig zijn. Dergelijke schuldgevoelens op zich zijn niet abnormaal of ongezond en moeten geuit kunnen worden.
  • Verwijten: schuldprojecties bv. ‘Die pestkoppen hebben haar de dood ingejaagd.
  • Schaamte: bv. ‘Er is iets mis met mij, mijn reacties zijn niet normaal.’ Rouw is individueel en uniek. Het is belangrijk om dit te kaderen en normaliseren.
  • Stigma: bv. ‘Zou ik wel vertellen dat het om zelfdoding gaat, wat zullen mensen denken?
  • Afwijzing: bv. ‘Ik was niet belangrijk genoeg om voor te leven.
  • Woede: bv. ‘Hoe durft die me zo in de steek te laten?
  • Riskant gedrag: bv. alcohol drinken of risico’s nemen in het verkeer
  • Veranderde kijk op relaties, het leven en eigen maturiteit
  • Waarom-vraag: Het kan troostend werken om de gedachtegang van de overledene te proberen na te gaan. Dit zorgt voor een vorm van betekenisgeving die depressie, angst, suïcidaliteit en gecompliceerde rouw aanzienlijk kan verlagen. Psycho-educatie kan hier nuttig zijn.

Het is van belang om in gesprek te gaan hierover en alle thema’s en emoties te onderzoeken, om zo herkenning en erkenning te kunnen bieden. De emotiekaartjes in Powerpoint zijn een handige tool die gebruikt kan worden om emoties te (h)erkennen, te begrijpen en te uiten.


Welke factoren beïnvloeden de intensiteit van het rouwproces?

De intensiteit van rouw, (latere) geestelijke gezondheid en gedrag worden beïnvloed door tal van factoren.


Factoren vóór het overlijden

  • Een emotioneel sterke band met de overledene vergroot het risico op latere psychiatrische problemen.
  • Reeds bestaande problemen binnen het gezin spelen een rol in het rouwproces en kunnen leiden tot verdere spanningen.
  • Een sterke, warme band met de ouderfiguur die na het overlijden de zorg moet dragen, zal later een positieve invloed kunnen uitoefenen op geestelijke gezondheid en ontwikkeling.
  • De familiale en persoonlijke psychiatrische voorgeschiedenis houdt een risico in op latere problemen in geestelijke gezondheid en ontwikkeling.
  • Wanneer het kind/de jongere weet had van het concrete plan tot zelfdoding versterkt dit schuld- en verantwoordelijkheidsgevoelens.


Factoren na het overlijden:

  • Gevoel dat het overlijden voorkomen had kunnen worden
  • Verantwoordelijkheidsgevoel
  • Kwaliteit van de band met de overblijvende gezinsleden
  • De mate van sociale steun

Aanbevelingen

Breng de emoties in kaart, eventueel met hulpmiddelen als emotiekaartjes.

Breng de intensiteit van het rouwproces in kaart. Peil naar:

  • Band met de overledene
  • Kennis van suïcidale gedachten, gedrag en/of plannen van de overledene:
    • hoe diepgaand en concreet was dit geweten?
    • wat voelde het kind of de jongere hier voor het overlijden bij? 
  • Het overlijden zelf
    • hoe diepgaand en concreet zijn de omstandigheden van het overlijden gekend? (bv. methode van zelfdoding, locatie, triggers, afscheidsbrief...)
    • heeft het kind of de jongere afscheid kunnen nemen (van het lichaam)?
  • De band met de aanwezige ouderfiguur
    • Hoe was deze voor het overlijden? 
    • Hoe is deze band eventueel veranderd na het overlijden? 
    • Hoe is de thuissituatie en opvoeding veranderd? 

Impact op de geestelijke gezondheid van kinderen en jongeren

Geestelijke gezondheidsproblemen

Zelfdoding van een naaste is een sterke risicofactor voor het ontwikkelen van angst, depressie, PTSS, automutilatie, suïcidale gedachten en gedrag, Persistent Complex Bereavement Disorder (PCBD, uit de DSM-5) en Prolonged Grief Disorder (PGD, uit de ICD-11). Daarbovenop komt vaak een vermindering in hulpzoekend gedrag door nabestaanden, zowel voor mentale als fysieke gezondheid.

Enkele kenmerkende symptomen voor PCBD of PGD zijn: intens missen van de overledene, piekergedachten of beelden over de overledene, intense gevoelens van woede en schuld, vermijden van situaties, personen en plaatsen die doen denken aan de overledene en een grote moeite om betekenis of zingeving in het leven te vinden.

Het is belangrijk om zich bewust te zijn van deze risico’s. Het is echter minstens even belangrijk om normale rouwreacties niet meteen te pathologiseren in de eerste (zes) maanden na een overlijden, wanneer een dergelijke diagnose nog niet gesteld kan worden.


Risico op suïcide

De meeste onderzoeken naar suïciderisico van kinderen en jongeren die rouwen na zelfdoding gaan over het overlijden van een ouder. Bij het overlijden van leeftijdsgenoten of andere familieleden blijkt vooral de hechtheid van de relatie bepalend voor het latere risico op suïcide en suïcidaal gedrag.

Parentale suïcide verdubbelt het risico op een suïcidepoging en verdrievoudigt het risico op overlijden door suïcide. De meeste schadelijke uitkomsten zien we binnen de eerste jaren na het overlijden van de ouders, maar de gevolgen kunnen decennialang een rol spelen. Hieronder staan de factoren opgesomd die een rol spelen in de ontwikkeling van suïcidale gedachten en gedrag na het overlijden van een ouder door suïcide.

Erfelijkheid

Verschillende studies wijzen er op dat genetische factoren kunnen bijdragen tot het risico op suïcidaliteit.

Socio-demografische factoren

Opgroeien met een lagere socio-economische status of in slechte huisvesting is geassocieerd met een hoger risico op suïcidale gedachten en gedrag.

Gezins- en sociale factoren

De verandering in (de kwaliteit van) opvoeding door de rouwende ouder kan een impact hebben, evenals het oudste kind zijn. Ook een gebrek aan sociale steun kan het risico op suïcidaliteit verhogen.

Imitatie

Een kind is geneigd om zich te identificeren met de ouder, en diens (zelfbeschadigende) gedrag, coping vaardigheden en probleemoplossend gedrag te gaan imiteren, inclusief suïcide als uitweg uit zware situaties. Imitatie kan ook ontstaan uit een wanhopige nood om de overleden ouder beter te begrijpen.

Blootstelling aan suïcide als levensgebeurtenis

Het plotse en onverwachte karakter van een overlijden door zelfdoding weegt zwaar op het rouwproces van een jongere. Ook het ervaren van stigma en gevoelens van verantwoordelijkheid, schuld, schaamte en in de steek gelaten worden door de ouder, kunnen bijdragen aan het risico op suïcidaal gedrag.

Leeftijd

De ontwikkelingsfase, en dus ook de leeftijd van het kind, speelt een rol in het risico op suïcidaliteit. Hoe jonger het kind, hoe groter de impact van de zelfdoding van een ouder. Bij kinderen die op het moment van het overlijden van hun ouder jonger dan zes jaar zijn, wordt het risico op latere suïcidaliteit dan ook het sterkst vergroot.

Wat helpt kinderen en jongeren?

Psycho-educatie over rouwen na zelfdoding

Elk rouwproces is uniek, wat het idee of gevoel kan geven dat er iets mis is met het eigen rouwproces omdat de nabestaande zich niet herkent in het proces van anderen. Psycho-educatie kan een waardevol instrument zijn om de ervaringen van een nabestaande te normaliseren. Van belang is hier om de informatie aan te passen aan het kind, diens draagkracht en cognitieve vaardigheden.

Er bestaan verschillende boeken die helpen om, op een aangepaste manier, met kinderen te spreken over rouwen na zelfdoding. Enkele voorbeelden:

  • Prentenboek: De visjes van Océane (Nathalie Slosse & Naomi Christaens i.s.m. Lore Vonck) voor kinderen jonger dan zes jaar
  • Prentenboek: Rode Hoed van Luna (Emmi Smid) voor kinderen van zes jaar en ouder
  • Prentenboek: Sloep vaart verder (Lore Vonck & Daisy Buttiens) voor kinderen tussen zes en twaalf jaar
  • Jeugdboek: 100% Lena (Stefan Boonen) voor jongeren vanaf twaalf jaar
  • Creatief doe- en begeleidingsboek: Afscheid voor kids (Kathleen Mylle & Lore Vonck)

Meer boeken over rouwen na zelfdoding vind je via deze link.

Daarnaast kan het ook helpen om creatief aan de slag te gaan met het verlies.

Duaal procesmodel

Een vaak gebruikt model om rouw te kaderen is het Duaal procesmodel. Het verdeelt het rouwproces in twee domeinen: verliesgericht en herstelgericht.

Een nabestaande is verliesgericht bezig wanneer de focus ligt op de overledene en het verlies. Dit kan zich bijvoorbeeld uiten in praten tegen de overledene, door oude foto’s gaan etc.
Herstelgericht betekent dat de nabestaande zich richt op het leven dat verdergaat en de aanpassingen die daarbij horen. Dat kan zich bijvoorbeeld uiten in verantwoordelijkheden van de overledene zelf gaan invullen, spelletjes spelen ter afleiding etc.

Zowel de verliesgerichte als de herstelgerichte aanpak zijn nodig om het leven verder te kunnen zetten.

Aanbevelingen

  • Bezorg zo snel mogelijk juiste informatie over het overlijden aan het kind
  • Normaliseer de unieke gedachten, gevoelens en het gedrag die bij een rouwproces horen
  • Maak ruimte voor de vragen van het kind
  • Geef uitleg op het niveau van het kind
  • Let op het familiaal functioneren na een overlijden in (de omgeving van) het gezin bv. risico op parentificatie
  • Maak gebruik van beschikbare (prenten)boeken
  • Ga actief en creatief aan de slag met rouw
  • Na zes maanden: houd rekening met de mogelijkheid op posttraumatische stress of gecompliceerde rouw

Aanmoedigen van sociale steun

Betere sociale steun leidt tot beter psychisch welbevinden na een onverwacht of gewelddadig overlijden, inclusief overlijden door zelfdoding.

De rouwthema’s die jongeren bezighouden beïnvloeden ook hun sociale omgeving. Zo kunnen stigma en schaamte leiden tot sociale isolatie en het verbergen van de doodsoorzaak, wat vervolgens de mogelijkheden tot sociale steun in de weg staat.

Een overlijden na zelfdoding leidt tot een verminderde hechting met leeftijdsgenoten, wat maakt dat de kansen op informele steun ook op dit vlak afnemen. Het is belangrijk om niet te wachten tot er zelf om hulp gevraagd wordt, maar om zowel vrienden als professionals proactief steun te laten bieden.

Aanbevelingen

  • Bied proactief sociale steun en stimuleer dit vanuit de omgeving.
  • Raad aan om de doodsoorzaak niet te verbergen.
  • Breng de relaties van de jongere en het gezin in kaart of in beeld, bijvoorbeeld met speelgoed
  • Ga isolatie tegen en stimuleer vriendschappen. Als het eigen netwerk aan leeftijdsgenoten te klein is, kan lotgenotencontact via een organisatie als Missing You een optie zijn.

Family Bereavement Pogram

Het Family Bereavement Program werd specifiek ontwikkeld voor gezinnen waarin een ouder overleed aan zelfdoding. Het richt zich zowel op de kinderen, als op de aanwezige ouderfiguur. Op lange termijn verlaagde het programma de kans op suïcidale gedachten en gedrag bij kinderen.

TIP

Wanneer je kinderen ondersteunt die een ouder verloren door zelfdoding, focus dan bij het kind op psycho-educatie en het versterken van coping vaardigheden en bij de aanwezige ouderfiguur op psycho-educatie en het versterken van ouderschapsvaardigheden.

Wat doe je als hulpverlener na een suïcide van een jongere?

Ook voor een hulpverlener die een jonge cliënt verliest is de impact van zelfdoding en de intensiteit van een rouwproces niet te onderschatten, zeker wanneer de hulpverlener zelf kon inschatten dat er een groot risico op een suïcidepoging was. Bovenop de rouwthema’s die nabestaanden ervaren, komen er vaak nog gevoelens van verantwoordelijkheid en professioneel falen bij. Schaamte hiervoor weerhoudt hulpverleners er vaak van om hun eigen rouwproces te bespreken met collega’s. Die gevoelens van professioneel falen kunnen zo sterk zijn, dat sommige hulpverleners daarna geen cliënten in crisis of met suïcidale gedachten nog willen behandelen.

Zowel professionele steun vanuit de werkplek als informele steun van collega’s en omgeving is cruciaal.


Maak tot slot ook werk van een goede opvang na een suïcide en zorg voor een reconstructie en evaluatie na zelfdoding. Zo maak je ruimte voor de emoties van deze hulpverleners, en wordt ook hun professioneel handelen ondersteund. Hoe je aan reconstructie en evaluatie kan doen, lees je in de tool ‘Reconstructie en Evaluatie na Zelfdoding’.

Meer info over wat je als hulpverlener kan doen na een suïcide vind je hier (!!! interne link naar deel ‘Na een suïcide’ van MDR).


Aanbevelingen

  • Accepteer dat niet elke zelfdoding voorkomen kan worden, neem niet alle schuld op jezelf
  • Moedig collega’s aan om elkaar te ondersteunen
  • Normaliseer het rouwproces dat de hulpverlener doormaakt
  • Erken als werkgever de impact van een overlijden op het team/de hulpverlener en voorzie professionele steun
  • Voorzie intervisie en supervisie
  • Maak werk van reconstructie en evaluatie na zelfdoding